De vele makkes van Taalproblemen van nu

 

Henk Wolf

 

Veel taalboekjes die op de markt zijn, zijn om te huilen. Ze staan vol met incorrectheden, verheffen stijladviezen tot absolute regels en hangen aan elkaar van ezelsbruggetjes in plaats van dat ze inzicht verschaffen, Taalproblemen van nu van Simon Burgers, in 2012 uitgegeven door Coutinho, is wat dat betreft een van de beroerdste voorbeelden.

 

In dit document neem ik het boekje door en laat ik zien wat er niet aan deugt. Ik hoop dat ik er daarmee toe bijdraag dat de opvolger beter is dan de huidige versie.


Practice what you preach

Burgers geeft een heleboel regels, maar houdt zich daar zelf niet aan. Daarmee laat hij zien dat zijn regels in de praktijk lang niet altijd deugen en veroorzaakt hij verwarring. Een paar voorbeelden:

* De inleiding sluit af met dit fragment:

 

'Als je dat een tijd doet, wordt de Nederlandse taal steeds meer een goede vriend van je. Een vriend die je helpt tijdens je werk, op school en je vrije tijd. Iedere dag weer. Je hele leven lang.'

 

Afgezien van het ontbrekende voorzetsel voor je vrije tijd is er niets mis met de taal in dat fragment. Zou ik zeggen. Alleen schrijft Burgers in paragraaf 7.3 dat je bijzinnen nooit los mag schrijven, omdat ze niet als zelfstandige zin kunnen voorkomen. De zinsdelen Iedere dag weer en Je hele leven lang kunnen dat ook niet, maar Burgers schrijft die zelf wel los.

 

* In 6.2 wordt een vrij traditioneel rijtje situaties gegeven waarin je aanhalingstekens kunt gebruiken, maar in 4.2 gebruikt Burgers in een stukje over het woordje wat aanhalingstekens rondom de woordgroep 'de overtreffende trap', terwijl er van geen van de genoemde situaties sprake is. Wat de functie van de gebruikte aanhalingstekens is, is mij overigens niet duidelijk, het gebruik ervan is niet conventioneel. In 4.3 worden aanhalingstekens gebruikt in de woordgroep een 'vreemd' meervoud. Ook daar is het gebruik niet overeenkomstig Burgers' eigen lijstje.

 

* In 1.2 staat:

 

            'Maar het kan ook een andere vorm zijn van jou of van jouw.'

 

Het persoonlijk voornaamwoord het in die zin verwijst naar het woordje je dat twee zinnen eerder werd gebruikt. Het is een prima leesbaar stukje. Alleen vertelt Burgers zijn lezers in 5.3 dat persoonlijke voornaamwoorden alleen terug mogen verwijzen naar een woord (waarom geen woordgroep?) in dezelfde zin of in de voorafgaande zin.


Hoofdstuk 1

* In 1.2 schrijft Burgers dat je de stam van een werkwoord krijgt 'door het einde weg te laten'. Hij zegt er niet bij dat het gaat om het einde van het hele werkwoord. De uitleg verschaft weinig inzicht:

 

            'Meestal moet je -en weglaten, soms zijn het (ook) andere letters'.

Welke andere letters dat zijn, legt de auteur niet uit. Hij noemt alleen vier infinitieven en hun stam. Wie de stam van een werkwoord niet kan vinden, leert dat niet uit Burgers' boekje. Hij maakt het zich ook erg moeilijk door over letters te spreken, alsof de stam af te leiden is van de geschreven vorm. Veel leerboeken maken die fout. Inzicht krijg je door de stam de defini‘ren als de gesproken vorm van het hele werkwoord minus de uitgang -en.

* In 1.3 schrijft Burgers:

 

'Werkwoorden waarbij de stam in de verleden tijd een andere klinker krijgt dan in de tegenwoordige tijd, heten onregelmatige werkwoorden.'

 

Dat is zijn volledige definitie van onregelmatige werkwoorden. Die is onjuist. Hij heeft de sterke werkwoorden gedefinieerd. Die kun je best als onregelmatige werkwoorden beschouwen, maar er zijn ook onregelmatige werkwoorden waarbij de verleden tijd regelmatig is, zoals bakken en wassen.

* Het voltooid deelwoord wordt gedefinieerd als:

 

            'een vorm van het werkwoord die meestal begint met ge-'

Dan komen er een aantal slecht werkende ezelsbruggetjes om het voltooid deelwoord te vinden:

 

'Er moet op zijn minst ˇˇn ander werkwoord in de zin staan, het zogeheten hulpwerkwoord. Dat hulpwerkwoord is een vorm van hebben, zijn of worden.'

 

Dat ezelsbruggetje werkt zo slecht dat het lezers alleen maar in de war brengt. Denk maar aan zinnen als:

 

            1. Door haar man mishandeld klopte ze bij het opvangtehuis aan.

            2. Ze leek vergeten.

 

Verder staat er:

 

            'Dat hulpwerkwoord is altijd de persoonsvorm.'

 

Dat is niet waar. Denk aan zinnen als de volgende, waarin bij een voltooid deelwoord wel een vorm van hebben, zijn of worden staat, maar niet als persoonsvorm:

 

            1. Je zult hem wel beledigd hebben. ['zult' is persoonsvorm]
            2. Ze kunnen niet herkozen worden. ['kunnen' is persoonsvorm]

 

De hele uitleg hangt aan ezelsbruggetjes, op geen enkel moment wordt inzicht verschaft. De ezelsbruggetjes zijn gebrekkig en bovendien taalspecifiek. Voor het vinden van voltooide deelwoorden in andere talen dan het Nederlands heb je weinig aan.

 

* De voor veel mensen zo lastige kwestie van de spelling van de eindklank [t] in werkwoorden met homofone persoonsvormen en voltooide deelwoorden wordt heel kort afgedaan op basis van de hierboven beschreven onbeholpen uitleg. Er staat daar dat het spellingprobleem zich voordoet bij:

 

            'een deel van de werkwoorden die beginnen met be-, ge- en ver-'.

 

Waarom specifiek die groep wordt genoemd is me onduidelijk, vooral omdat Burgers zelf ontsteld als voorbeeld noemt van een voltooid deelwoord dat niet met ge- begint. Dat deelwoord heeft ook een homofone persoonsvorm ontstelt naast zich. Hetzelfde geldt voor hersteld/herstelt en veel andere werkwoorden die niet met de genoemde drie voorvoegsels beginnen.

 

* In 1.5 staat dat in de zin Wachten is vervelend het woord wachten 'zelfstandignaamwoordfunctie' zou hebben. Dat kan, maar dat hoeft niet. Je kunt dat makkelijk zien aan de volgende twee voorbeeldzinnen:

 

1. Altijd maar op de bus wachten is vervelend.
2. Het lange wachten is vervelend.

 

In zin 1. zet ik bijwoordelijke bepaling en een voorzetselvoorwerp bij wachten, dan heb ik een werkwoordelijke constituent (VP) en heb ik dus met een werkwoord te maken. In zin 2. plak ik er een lidwoord en een bijvoeglijk naamwoord bij en dan heb ik te maken met een nominale constituent (NP), met een zelfstandig naamwoord als hoofd.

 

* In 1.7 staat dat de gebiedende wijs alleen wordt gebruikt 'als je iemand iets opdraagt, iets verbiedt of ergens voor waarschuwt'. Die versimpeling van de werkelijkheid is misschien didactisch te verdedigen, al is het woordje je in de uitleg verwarrend. Alleen geeft Burgers vervolgens drie voorbeeldzinnen met gebiedende wijzen die worden gebruikt om aan te sporen ('Loop maar naar boven'). Ook later in het boekje vinden we andere gebruikswijzen van de gebiedende wijs, bijvoorbeeld de uitnodiging in de zin Kijk eens, Peter, wat ik in mijn hand heb in 6.6.

* In 1.8 wordt de spelling van leenwerkwoorden uit het Engels behandeld. Daarin staat:

 

'Werkwoorden als finishen en mixen krijgen een -t achter de stam. De stam eindigt namelijk op -sh en -x en dit zijn s-klanken.'

 

Het is vast niet voor iedereen duidelijk dat 'werkwoorden als finishen en mixen' betekent: 'werkwoorden die eindigen op een sisklank'. Dat 'sisklank' zou een correcte term zijn, het gebruikte 's-klanken' is dat in het geval van finishen niet. Voor het eerst wordt de stam gekoppeld aan de gesproken vorm van het werkwoord in plaats van de geschreven vorm. Dat is verwarrend en had beter van meet af aan gedaan kunnen worden.

 

* In dezelfde paragraaf staat:

 

'Ingewikkeld zijn werkwoorden als deleten en upgraden. De stam ervan bevat ook de slot-e.'

 

Het is mij volstrekt onduidelijk wat 'werkwoorden als deleten en upgraden' betekent. Nergens staat hoe je zulke werkwoorden herkent. Wie moeite heeft met het schrijven van Engelse leenwerkwoorden wordt niet veel wijzer van Burgers' uitleg.

 

Hoofdstuk 2

 

* In 2.1 staat als uitleg over het aaneenschrijven van samenstellingen:

 

'Wanneer twee of meer zelfstandige naamwoorden ˇˇn nieuw begrip vormen, moeten ze aaneen worden geschreven.'

 

Dat is onjuist. Dat moet alleen als ze samen ˇˇn woord vormen.

 

Hoofdstuk 3

 

* In 3.2 staat:

 

            'Er zijn maar drie lidwoorden: de, het, een'

Dat is onjuist, het zijn er vier, althans in het Nederlands. Zoals in veel leerboekjes wordt het ontkennend lidwoord geen niet genoemd.

 

* Dan staat er:

 

'Zelfstandige naamwoorden zijn de namen van mensen, dieren, dingen en stoffen.'

 

Het boek van Burgers is zeker niet het enige dat woordsoorten semantisch probeert te defini‘ren. Dat is een problematische uitleg, zeker als het de enige is die gegeven wordt. Voor de lezer die in hoofdstuk 1 heeft geleerd dat wachten een zelfstandig naamwoord kan zijn, is het ook nogal verwarrend.

Verderop noemt Burgers tussen neus en lippen door wel de mogelijkheid om zelfstandige naamwoorden te herkennen door ze te vervangen door andere zelfstandige naamwoorden. Dat is een veel inzichtelijker manier.

* Burgers schrijft:

 

'Als je het over een bepaald zelfstandig naamwoord hebt, gebruik je de of het.'

 

Wat de lezer moet verstaan onder 'een bepaald zelfstandig naamwoord' wordt nergens uitgelegd en ik vermoed dat dat lang niet voor iedereen duidelijk is. Hetzelfde geldt voor 'het begrip in het algemeen' (waarin het woord begrip anders dan in hoofdstuk 2 niet slaat op de woordvorm, maar op de intensie van het woord).

Verder vraag ik me af wat voor type potenti‘le lezers van Taalproblemen van nu behoefte heeft aan de informatie dat Ik zie man die ik niet ken fout is. Heel hoofdstuk 3 lijkt gericht te zijn op (soms beginnende) NT2-sprekers, van wie ik me afvraag of ze met de abstracte Nederlandstalige uitleg in het boek overweg kunnen.


Hoofdstuk 4

 

* Bij de behandeling van de buigings-e van bijvoeglijke naamwoorden schrijft Burgers dat er geen -e komt achter bijvoeglijke naamwoorden die staan bij 'het-woorden' zonder lidwoord of met het lidwoord een. Hij doet dat in een subparagraaf waarin hij in een tabel al geen groot huis en zo'n groot huis noemt. Een subkopje verder noemt hij geen en zo'n pas expliciet. Dat is al verwarrend. Nog verwarrender is dat het lijstje niet even compleet wordt gemaakt, met bijvoorbeeld elk, ieder, welk en zulk. Het woordje welk wordt in paragraaf 4.2 wel genoemd in een rijtje determiners, maar daarbij wordt met geen woord meer gerept van de vorm van het bjivoeglijk naamwoord.

 

* In 4.2 staat:

 

'Het woord jou is een persoonlijk voornaamwoord, net als bijvoorbeeld hem. Het verwijst dus naar een persoon.'

 

Deze formulering suggereert dat persoonlijke voornaamwoorden altijd naar personen zouden verwijzen. Het persoonlijk voornaamwoord het in de tweede zin van de uitleg logenstraft dat meteen.

 

Ernstig is dat Burgers suggereert dat bezittelijke voornaamwoorden niet zouden kunnen verwijzen naar personen.

 

* Dan staat er:

 

'Maar in plaats van mijn mag je niet me gebruiken. Fout is: Dat is me tas.'

 

Ook dat is kolder. In de spreektaal is me tas een doodnormale vorm, waarop geen enkel sociaal stigma rust. Er is alleen een (afkalvende) traditie om het bezittelijk voornamwoord me in geschreven taal te mijden. Dat is iets heel anders.

 

* In 4.2 staat:

 

'Een betrekkelijk voornaamwoord is een woord dat betrekking heeft op een ander, eerder voorkomend zinsdeel'.

 

Die onzinnige uitleg vind je ook in veel boekjes. Het is geen wonder dat het zelfs studenten Nederlands vaak niet lukt betrekkelijke voornaamwoorden correct te benoemen. 'Betrekking hebben op' is al vaag en als je al begrijpt dat er 'de betekenis hebben van' mee bedoeld wordt, dan moet je constateren dat de volledige categorie voornaamwoorden betrekking heeft op iets anders en dat dat andere vaak al eerder is genoemd. En het hoeft geen zinsdeel te zijn, ook niet bij een betrekkelijk voornaamwoord. Sterker nog: het betrekkelijk voornaamwoord staat per definitie in hetzelfde zinsdeel als datgene waarnaar het verwijst.

 

* Na de verwarrende en incorrecte behandeling van het betrekkelijk voornaamwoord wordt zonder toelichting plotseling het woord antecedent gebruikt in een prescriptief verhaaltje over het gebruik van het betrekkelijk voornaamwoord wat. Ik denk dat heel wat lezers daar weinig van begrijpen.

 

* In 4.4 leert de lezer dat er iets mis is met 'de directie weigerden', maar ik vraag me af wie behoefte heeft aan die vrij basale informatie.

 

* Eveneens in 4.4 staat:

 

'Bij woorden als aantal, soort en hoeveelheid hoort daarom ook een werkwoord in het enkelvoud'.

 

Het duurt even voor je er als lezer achter bent wat 'daarom' in bovenstaand citaat precies betekent, want het antecedent van dat woord staat een flink stuk terug in de tekst, maar Burgers bedoelt dat je een enkelvoudig werkwoord moet gebruiken, omdat woorden als aantal, soort en hoeveelheid enkelvoudig zijn.

 

Wat er precies valt onder 'woorden als aantal, soort en hoeveelheid' wordt niet uitgelegd, maar vast niet de woorden paar, hoop, boel en heleboel, die enkelvoudig zijn, maar waarbij nooit een meervoudig werkwoord komt te staan. Of zou Burgers zelf 'Een boel mensen was niet komen opdagen' zeggen?

Burgers' advies is overigens een voorbeeld van een verabsoluteerd prescriptief regeltje, dat bij de invloedrijke taaladviseurs niet te vinden is. Noch het Genootschap Onze Taal, noch de Taalunie heeft bezwaar tegen gebruikelijke zinnen als 'Een aantal schilderijen gingen verloren', met 'een aantal' in het onderwerp en een persoonsvorm in het meervoud. Dat is ook heel makkelijk uit te leggen, als je schilderijen als kern van het onderwerp analyseert en een aantal (net als een boel) als telwoord.

 

Hoofdstuk 5

 

* Hoofdstuk 5 begint met de volgende zinnen:

 

'Voorzetsels zijn woorden als in, op, tegen, na, naast, door, achter, langs. Ze geven vaak een plaats of een tijd aan.'

 

Wie een voorzetsel niet kan aanwijzen, wordt van de tweede zin niets wijzer. Die verkondigt ook onzin. Woorden die een plaats of tijd aangeven, zijn buiten, tuin, gisteren en laat. Dat zijn geen van alle voorzetsels. Sterker nog: voorzetsels geven nooit een plaats of tijd aan. Ja, achter kan best een plaats aanduiden, bijvoorbeeld in de bal is achter, maar in die zin is achter een bijwoord.

 

* In 5.1 staat ook:

 

'Denken aan gebruik je in normale gevallen. Denken over gebruik je wanneer het gaat om een probleem.'

 

Wie begrijpt wat 'normale gevallen' zijn? En wat betekent die raadselachtige tweede zin? Wat gaat er om een probleem? Wat is er problematisch aan 'baby's' in een zin als 'Alles wat ik dacht over baby's bleek onjuist te zijn'.

 

* In 5.1 worden nog een paar combinaties van werkwoord en voorzetsel gereserveerd voor 'normale gevallen', zonder dat wordt uitgelegd wat dat zijn.

 

* In 5.2 staat:

 

'Omdat en daarom gebruiken we bij menselijke zaken, doordat en daardoor bij niet-menselijke, zoals technische.'

 

Hier probeert Burgers voor te schrijven dat omdat een reden inleidt en doordat een oorzaak. Die strakke tweedeling is gedateerd, het Genootschap Onze Taal en de Taalunie staan beide het gebruik van omdat als inleider van een oorzaak toe. Het voorschrift is bovendien verhaspeld tot iets onbegrijpelijks. Wat moet men zich voorstellen onder menselijke zaken? Bevat zin 1. een menselijke zaak en zin 2. niet?

            1.  Mijn broer ging naar huis, omdat hij honger had.
            2. Mijn broer viel, omdat/doordat hij de drempel niet zag.

 

 

* In 5.2 staat:

 

'Als gebruik je wanneer twee zaken overeenkomen, dan gebruik je wanneer ze verschillen.'

 

De belangrijke taaladviseurs raden in navolging van Balthasar Huydecoper aan als te gebruiken na een stellende trap en dan na een vergrotende trap. Dat advies wordt door Burgers vervangen door een ezelsbruggetje dat onjuist is en makkelijk misverstanden kan oproepen. Zijn formulering kan worden aangehaald om in zinnen als de volgende de aanwezigheid van het volgens taaladviseurs onjuiste voegwoord te verdedigen:

            1. Dat huis is twee zo groot dan het mijne.

            2. Het ene is niet beter als het andere.

 

* In 5.3 wordt uitgelegd wat het woord verwijzen betekent, terwijl dat woord al ettelijke keren in is gebruikt in de voorgaande hoofdstukken. De uitleg is incorrect. Die luidt:

 

'Met 'verwijzen' wordt bedoeld: een woord gebruiken dat terugslaat op een eerder gebruikt woord.'

 

Ik vraag me af of iemand die niet weet wat verwijzen is daar wijzer van wordt; terugslaan op is vrijwel synoniem met verwijzen naar en even vaag. De uitleg is bovendien onjuist. Je kunt in de taal verwijzen naar woorden, maar evengoed naar woordgroepen, zinsdelen, hele zinnen en weet wat niet meer. Al die dingen kunnen eerder gebruikt zijn, later gebruikt worden of helemaal niet in de tekst of het gesprek voorkomen.

 

* In 5.3 staat:

 

'Naar een meervoud wordt verwezen met het persoonlijk voornaamwoord zij of ze en het bezittelijk voornaamwoord hun'

 

Dat is maar deels juist. Je verwijst naar meervoudige antecedenten ook met de persoonlijke voornaamwoorden hen en hun, zoals Burgers zelf trouwens in paragraaf 4.2 uitlegt.

 

* In paragraaf 5.3 over verwijswoorden gebruikt Burgers de termen geslacht, mannelijk en vrouwelijk, zonder uit te leggen dat die ambigu zijn en zowel op het biologisch geslacht als op het woordgeslacht kunnen slaan. Hij zet voorbeeldzinnen waarin het verwijswoord zich richt naar het biologisch geslacht van zijn antecedent en voorbeeldzinnen waarin het zich naar het woordgeslacht richt zonder commentaar door elkaar, maar schrijft vervolgens wel:

 

'Naar een onzijdig zelfstandig naamwoord wordt met het persoonlijk voornaamwoord het en het mannelijk bezittelijk voornaamwoord zijn verwezen'

 

Dat suggereert dat je 'het meisje en zijn hond' zou moeten schrijven en dat 'het meisje en haar hond' verkeerd zou zijn. Dat is onzin.

 

* Het is ook onzin dat je naar een onzijdig woord verwijst met 'het mannelijk bezittelijk voornaamwoord zijn'. Als je er met zijn naar verwijst, dan is dat in dat geval geen mannelijk, maar een onzijdig bezittelijk voornaamwoord, dat toevallig homoniem is met het mannelijk bezittelijk voornaamwoord.

 

* Volgens Burgers moet het verwijswoord in het enkelvoud staan als het verwijst naar een aantal jongens en dit soort auto's. Hij schrijft:

 

'Daarom is het niet alleen 'Een aantal mist wel eens zijn moeder', maar ook 'Een aantal jongens mist wel eens zijn moeder.''

 

Dat is een geforceerd taalgebruik. De regel die Burgers hier voorschrijft, functioneert helemaal niet in de taaladviesliteratuur en levert, indien toegepast, kromme zinnen op.

 

Hoofdstuk 6

 

* Burger schrijft in paragraaf 6.1 dat een citaat wordt in- en uitgeleid door dubbele aanhalingstekens. Hij had in de bibliotheek maar een paar boeken uit de kast hoeven halen om te zien dat er allerlei conventies bestaan. Mijn eigen uitgever geeft de voorkeur aan enkele aanhalingstekens rond citaten en dat geldt voor veel meer uitgevers. Het Genootschap Onze Taal vertelt dat ook op zijn website. Burgers heeft een vrijblijvend stijladvies veranderd in een absoluut gebod.

 

Hoofdstuk 7

 

* In hoofdstuk 7 worden allerlei onwaarheden over zinnen gedebiteerd. Zo staat er in 7.3:

 

            'Dit zijn gewone, enkelvoudige zinnen. Anders gezegd: hoofdzinnen.'

 

'Hoofdzinnen' is helemaal geen synoniem van 'gewone, enkelvoudige zinnen'. Burgers laat op verschillende plaatsen zien dat hij dat wel gelooft. Studenten die zijn boekje hebben bestudeerd hebben daardoor allerlei vreemde idee‘n over zinsbouw opgedaan, die ze weer moeten afleren.

 

* In 7.3 schrijft Burgers ook:

 

'Je kunt aan een hoofdzin ook een bijzin vastplakken.'

 

Dat is volstrekt onjuist. Je kunt wel een bijzin als zinsdeel of deel van een zinsdeel in een hoofdzin opnemen, maar dat is wat heel anders.

 

Iets verderop zegt Burgers met andere woorden hetzelfde opnieuw:

 

'Ik denk dat Ingrid een nieuwe jurk koopt. Deze zin bestaat uit de hoofdzin Ik denk en de bijzin dat Ingrid een nieuwe jurk koopt.'

 

Wat daar staat, is wederom onjuist. Ik denk is geen hoofdzin. Het is zelfs helemaal geen zin. De hoofdzin is Ik denk dat Ingrid een nieuwe jurk koopt. In die hoofdzin zit de bijzin dat Ingrid een nieuwe jurk koopt. Die bijzin is het lijdend voorwerp in de hoofdzin.

 

* In 7.4 suggereert de formulering van Burgers dat zich, me, je en ons de enige wederkerende voornaamwoorden in het Nederlands zouden zijn.

 

Burgers vertelt dat je ontwikkelen zonder zich gebruikt in de zin 'Hassan ontwikkelde een allergie tegen katten', maar dat het weglaten ervan fout is in de zin 'Er ontwikkelde een steeds erger wordende burenruzie'. Wat de systematiek achter het verschil is, wordt niet uitgelegd. Wie moeite heeft met de keuze tussen ontwikkelen en zich ontwikkelen wordt niets wijzer van de tekst in paragraaf 7.4.

* In het boekje staat in paragraaf 7.5 dat het verzwegen onderwerp van een beknopte bijzin gelijk moet zijn aan het onderwerp van de hoofdzin. Dat is een simplificatie van de werkelijkheid. De ANS geeft voorbeelden van beknopte bijzinnen met verzwegen onderwerpen die overeenkomen met het onderwerp van de hoofdzin, maar ook met lijdende en meewerkende voorwerpen. Het Genootschap Onze Taal schrijft op z'n website dat er geen bezwaar bestaat tegen zulke zinnen.

 

Hoofdstuk 9

 

* In 9.4 staat het volgende stukje tekst, dat uit moet leggen waarom je 'Vandaag gebeurt er niet veel' schrijft, met een -t in gebeurt.

 

'Je hebt weliswaar de kofschipregel correct opgevolgd, alleen ... is die regel helemaal niet van toepassing! De zin staat namelijk in de tegenwoordige tijd. Dan gelden de regels rond stam / stam + t.'

 

Door zulke formuleringen gaan lezers fouten maken. Dat de zin in de tegenwoordige tijd staat, betekent niet dat de kofschipregel niet van toepassing is. De kofschipregel is niet van toepassing, omdat we een persoonsvorm willen spellen, geen voltooid deelwoord.

 

Bijlage 1

 

In bijlage 1 wordt veel van de incorrecte, versimpelde of onduidelijke grammaticale uitleg uit de hoofdstukken herhaald. Een paar nieuwe opvallende passages zijn:

- de onduidelijke definitie van het begrip 'koppelwerkwoord', dat ook nog wordt verbonden met het traditionele rijtje van negen. Wie niet weet wat een koppelwerkwoord is, heeft niets aan de uitleg.

- bij het ontleden van de zin 'Die intelligente leraar bleef geduldig, terwijl zijn studenten domme vragen stelden' wordt het voegwoord terwijl incorrect als bijwoordelijke bepaling benoemd.

 

Bijlage 2

 

In bijlage 2 worden verschillende talen met het Nederlands vergeleken. Onder het kopje Marokkaans/Arabisch wordt als eerste het Berber behandeld. Dat is een heel andere taal.

 

Versie: 12 juli 2017