ipp

 

IPP en morfologische markering
 
Henk Wolf
 
 
1 Inleiding*
 
In dit artikel zal ik een voorstel doen voor een verklaring van het IPP-effekt in eindreeksen van twee werkwoorden in het Neder­lands, Hoogduits en Interferen­tiefries, en het ontbreken van een dergelijk effekt in het standaard-Fries en Nederduits.
 
 
2 De werkwoordelijke eindreeks in de Westgermaanse talen
 
De Westgermaanse talen, uitgezonderd het Engels, kenmerken zich door de vorming van werk­woordsreeksen aan het einde van de zin. Deze werkwoords­reeksen zijn ontoegankelijk voor niet-werkwoordelijk materiaal. Er is een aantal essentiële verschillen tussen de werkwoordsreeksen in de diverse talen, zoals ik hieron­der zal laten zien.1
 
            (1)       a *       Ik heb juf lopen gezien
                        b *       Ik heb juf gezien lopen
                        c *       Ik heb juf lopen zien
                        d          Ik heb juf zien lopen
 
De constructie in (1) is uitsluitend grammaticaal als het diepst ingebedde werkwoord rechts in de eindreeks staat. Uitgaande van een onderliggende complement-hoofdvolgorde voor de Westger­maanse VP, zal ik dit verschijnsel voortaan aanduiden als inver­sie.
 
Het verschil tussen (1b) en (1d) laat zien dat de Nederlandse werkwoorde­lijke eindreeks zich, behalve door inversie, ook kenmerkt doordat hulpwerk­woorden als hebben een infinitief in hun complement nemen, inplaats van het verwachte participium. Dit effekt wordt aangeduid als Infinitivus pro Participio (hierna IPP).
 
De werkwoordelijke eindreeks in het standaard-Fries en Nederduits kent noch inversie, noch IPP. Dat wordt gedemonstreerd in (2)2 en (3)3.
 
            (2)       a          Ik ha juf sjongen heard
                                   (ik heb juf zingen-DF horen-PART)
                        b *       Ik ha juf heard sjongen
                        c *       Ik ha juf sjongen hearre
                                   (ik heb juf zingen-DF horen-INF)
                        d *       Ik ha juf hearre sjongen
 
            (3)       a          Ik hev Clara singen hoyrd
                                   (ik heb C. zingen-INF horen-PART)
                        b *       Ik hev Clara hoyrd singen
                        c *       Ik hev Clara singen hoyren
                                   (ik heb C. zingen-INF horen-INF)
                        d *       Ik hev Clara hoyren singen
 
In het standaard-Hoogduits ziet de eindreeks er nog weer anders uit. Daar vindt uitsluitend IPP plaats, en geen inversie, zoals blijkt uit (4).4
 
            (4)       a *       Ich habe Clara singen gehört
                        b *       Ich habe Clara gehört singen
                        c          Ich habe Clara singen hören
                        d *       Ich habe Clara hören singen
 
 
3 De werkwoordelijke eindreeks in het Interferentiefries
 
Zinnen als in (1-4) hebben de basis gevormd voor verschillende theorieën betreffende het IPP-effekt. Ytsma (1995) en Wolf (1995a) presen­teren echter een aantal feiten uit een moderne variant van het Fries, het zogenaamde Interferentie­fries, die aanlei­ding geven tot heroverwe­ging van de bestaande analyses.5 Essen­tieel in deze data zijn de verschillen tussen (5) en (6).
 
            (5)       a          Ik ha juf rinnen sjoen
                                   (ik heb juf lopen-DF zien-PART)
                        b          Ik ha juf sjoen rinnen
                        c *       Ik ha juf rinnen sjen
                                   (ik heb juf lopen-DF zien-INF)
                        d          Ik ha juf sjen rinnen
 
            (6)       a          Ik ha dy sangeres sjongen heard
                                   (ik heb die zangeres zingen-DF horen-PART)
                        b *       Ik ha dy sangeres heard sjongen
                        c *       Ik ha dy sangeres sjongen hearre
                                   (ik heb die zangeres zingen-DF horen-INF)
                        d          Ik ha dy sangeres hearre sjongen
 
Naast de in het standaard-Fries al geaccepteerde constructie in (5a) en (6a), wordt in het Interferen­tiefries ook de constructie met inver­sie en IPP geaccep­teerd. Bij een klein aantal onregelmatige participia wordt bovendien een constructie met inversie, maar zonder IPP geaccepteerd, zoals in (5b). De participia die deze constructie toestaan, mankeren het participiale prefix -t/-d.6
 
 
4 Het IPP-effekt in de literatuur
 
Er worden in de literatuur tenminste twee typen verklaringen voor het IPP-effekt gegeven. Het eerste type koppelt het voorkomen van IPP in het Neder­lands en Duits aan het voorkomen van een parti­cipiaal prefix, ge-. Het Fries en Nederduits gebruiken geen prefix bij de vorming van participi­a en hebben ook geen IPP. Een dergelijke verklaring wordt onder andere gegeven in Hoeksema (1988) en Vanden Wyngaerd (1994). Deze eis op de morfologie van het participium staat bekend als de prefixgeneralisatie.
 
            (7)Prefixgeneralisatie: een prefix mag in een werkwoorde­lijke eindreeks niet worden gerealiseerd bij een werk­woord dat een ander werkwoord in zijn complement heeft
 
Met (7) kunnen we echter niet de Interferentiefriese data in (5) en (6) verant­woorden.
 
Een tweede type verklaring legt een ver­band tussen het voorkomen van inversie en het voorkomen van het IPP-effekt. Een dergelijke verklaring wordt gepresenteerd in Den Dikken (1989) en voor Interferentiefriese zinnen als in (6) uitgewerkt in De Haan (1995).
 
De Haan stelt een PF-structuur als in (8) voor voor de zinnen in (6a) en (6d).7
 
            (8)       a                      V                                            b                      V
                                               <+pp>                                                <+pp>
 
                                   V                     V                                            V                     V
                                   <+n>               <+pp>                                                <+n>
 
                                   rinnen               sjoen                                       sjen                  rinnen
 
De werkwoordelijke eindreeks wordt geanalyseerd als een complexe V . Die krijgt van het selecterende hulpwerkwoord hebben een morfologisch feature, en wel dat van een participi­um. In deze theorie daalt dat feature vervolgens af in de structuur, op zoek naar een geschikt lexicaal item waar het gerealiseerd kan worden. Het kan echter uitsluitend via de rechter vertakking afdalen, op grond van de zogenaamde Right Hand Head Rule (hierna RHHR).
 
In het geval van (8a) wordt de participiale morfologie gerealiseerd op de rechter dochterknoop sjoen. De linker dochter rinnen krijgt een morfolo­gisch feature, namelijk dat van de doelfoarm, van het selecte­rende werkwoord sjoen.
 
Bij (8b) heeft inversie plaatsgevonden. Ook hier moet het partici­piale feature in de structuur afdalen. Op grond van de RHHR zou het op de rechter dochter gerealiseerd moeten worden. Die krijgt echter ook al het feature van de zogenaamde doelfoarm van het selecterende werkwoord sjen. Volgens De Haan precedeert die toekenning door het selecterende werkwoord boven de toekenning via de RHHR. Het participiale feature kan dus niet gerealiseerd worden.
 
De linker dochter heeft in deze theorie nog geen morfologisch feature. De Haan neemt aan dat er vervolgens een mechanisme in werking treedt dat aan werkwoorden zonder morfologisch feature het feature van de infinitiefmorfo­logie toekent. Formeel zou dat mechanisme eruit kunnen zien als (9).
 
            (9)        aStandaard-morfologische regel: aan een werkwoord dat geen morfolo­gisch feature krijgt, wordt het standaard-feature σ toegekend
 
                        bσ-vorm (voorlopige versie): het feature σ wordt gereali­seerd als een infinitief
 
Uitgaand van het voorkomen van optionele inversie in het Interferentie­fries, kan men aldus verklaren dat het Interferentief­ries een IPP-effekt vertoont.
 
In de volgende paragraaf zal ik een voorstel doen voor een kleine aanpas­sing van de hier aangehaalde theorieën, waardoor alle in (1-6) gepresen­teerde data verantwoord worden.
 
 
5 Morfologische markering
 
Bij zijn bespreking van taalfeiten in het dialect van het Noordhol­landse West-Friesland noemt Hoekstra (1994) de mogelijkheid dat tweetalige Westfriese kinderen op basis van Nederlandse invoer een non-overt prefix postuleren op het prefixloze Westfrie­se participium. Op grond van de prefixgeneralisatie in (7) wordt daarmee het opkomen van IPP in het Westfries van jonge­ren verklaard.
 
Men kan zich afvragen of een dergelijke verklaring niet ook voor het Interferentiefries op zou kunnen gaan. Dat blijkt niet het geval te zijn. Immers, als de prefixgeneralisatie in (7) universeel is, en dat neem ik hier aan, dan zouden de Friese zinnen in (5a) en (6a), wanneer er een prefix op het participium zou voorko­men, on­grammaticaal moeten zijn in het Interfe­rentiefries. Dat is niet het geval.
 
Toch ligt de verklaring volgens mij in de morfologie van het participium. Zoals al eerder opgemerkt, gebruikt het Fries (en ook het Interferentief­ries) uitsluitend suffixen voor de vorming van regelmatige participia. Er zijn in het Fries twee klassen van regelmatige werkwoorden. De eerste klasse vormt participia op -d/-t, de tweede klasse op -e. De participia die constructies als in (5b) toestaan, behoren echter alle tot een kleine gesloten klasse van suffixloze participia. Volgens De Haan & Hoekstra (1993) hebben deze vormen onvoldoende morfologische markering om als participium geïdentificeerd te worden, hetgeen verklaart dat ze ook in het standaard-Fries enkele afwijkende eigenschappen hebben.8 In Wolf (1995b) betoog ik dat regelma­tig gevormde participia op -t/-d worden geana­lyseerd als morfo­logisch gemar­keerd, terwijl participia zonder affixen worden geanalyseerd als niet morfologisch gemarkeerd.9 Opvallend is dat een groeiend aantal Friestaligen dit suffix ook bij de voorheen suffixloze participia gebruikt, waar­door vormen als sjoend ontstaan. Waarschijnlijk is dat het gevolg van een proces om die vormen die een uitzondering vormen door het ontbreken van morfologi­sche markering, regel­matig te maken.
 
Als we de σ-vorm in (9b) enigszins aanpassen, zoals in (10b), dan kunnen we het verschil in grammaticaliteit tussen (5b) en (6b) verantwoorden. Voor het gemak herhaal ik (9a) ook nog even als (10a).
 
            (10)      aStandaard-morfologische regel: aan een werkwoord dat geen morfolo­gisch feature krijgt, wordt het standaard-feature σ toegekend
 
                        bσ-vorm (definitieve versie): het feature σ wordt gereali­seerd als een niet morfologisch gemarkeer­de werkwoords­vorm
 
Zowel de infinitieven sjen en hearre, als het participium sjoen zijn σ-vormen. Het regelmatig gevormde participium heard is dat echter niet. Omdat de standaard-morfologische regel in (10a) uitsluitend σ-vormen toelaat als linker dochter in (8b), kunnen we zo verklaren waarom (6b) ongrammaticaal is. (11a-c) geven (het relevante deel van) de structuren van de zinnen in (5a-d) en (6a-d).
 
            (11)     a                      V                                 b                      V
                                               <+pp>                                    <+pp>
 
                                   V                     V                                 V                     V
                                   <+n>               <+pp>             <+σ>              <+n>
 
                                   rinnen               sjoen                           sjen                  rinnen
                                   sjongen            heard                           sjoen                rinnen
                                                                                              hearre             sjongen
 
 
                        c                      V
                                               <+pp>
 
                                   V                     V
                                                           <+n>
 
                                   *heard sjongen
 
(5b) is dus een instantie van hetzelfde effekt als (5d) en (6d), waarvoor de term IPP niet toereikend is. In feite is er sprake van een σ-vorm-voor-infinitief-effekt. In Wolf (1995b) heb ik dit effekt aangeduid als σPP.
 
 
6 Een verklaring
 
Met behulp van (10), in combinatie met de prefixgeneralisatie in (7) zijn we nu in staat de data in (1-6) te verantwoorden, op basis van het gegeven of de betreffende taal inversie kent. Het Neder­lands heeft in het hier beschreven type clusters verplichte inversie en dus een structuur als in (11b). Extra evidentie voor de hier beschreven theorie wordt gegeven door de volgende zin uit een Vlaams dialect (overgenomen uit Vanden Wyngaerd (1994)):
 
            (12)                 Jan is weest voetballen
 
In dit dialect is er geen infinitief beschikbaar bij het participium geweest. Regelmatige participia worden in het betreffende dialect op dezelfde manier gevormd als in het standaard-Neder­lands, met het prefix ge-. Er is voor de sprekers van dit dialect dus geen reden om de prefixloze vorm weest als morfologisch gemarkeerd te beschou­wen. Daarmee is weest automatisch een σ-vorm en kan (12) afgeleid worden. Voor het standaard-Nederlands moeten we aannemen dat uitsluitend infinitieven σ-vormen zijn.
 
Het Hoogduits kent geen inversie, maar wel het prefix ge-, dat op grond van de prefixgeneralisatie in (7) niet gerealiseerd mag worden. Een soortgelijk mechanisme als in (10b) is vervolgens verantwoordelijk voor het in het Hoogduits optredende IPP-effekt.
 
Het Nederduits kent noch inversie, noch een participiaal prefix. Er komen uitsluitend structuren als in (11a) voor. Hetzelfde geldt voor het stan­daard-Fries. De theorie voorspelt hier terecht het ontbreken van een IPP-effekt.
 
 
7 Conclusie
 
Ik heb in dit artikel een voorstel gedaan voor een verklaring voor het voorkomen van het IPP-effekt in het Nederlands, Hoogduits en Interferen­tiefries. Interferentiefriese data laten zien dat het IPP-effekt een deeleffekt is van het zogenaamde σPP-effekt. Werkwoords­vormen die geen morfologisch feature krijgen doordat ze links in een geïnverteer­de eindreeks staan of die vanwege de prefixgeneralisatie niet gerealiseerd mogen worden, krijgen een σ-vorm. In het Nederlands en Hoogduits zijn deze σ-vormen uitsluitend infinitieven, in het Interferen­tiefries tevens een paar onregelmati­ge participia. Het standaard-Fries en het Hoogduits kennen noch inversie, noch een participiaal prefix, en vertonen dan ook geen σPP-effekt.
 
 
Noten
 
            * Ik wil Arnold Evers, Ger de Haan, Carla Luijks en Fred Weerman graag hartelijk bedanken voor hun nuttige commentaar op eerdere versies.
 
                1 Ik gebruik de volgende afkortingen: DF: doelfoarm, INF: infinitief, PART: partici­pium, <+n>: feature van de doelfoarm, <+pp>: feature van het participium.
 
                2 De doelfoarm is een apart type infinitief in het Fries dat onder andere voorkomt in het complement van perceptiewerkwoorden en na te. Voor een beschrijving van de twee typen infinitieven in het Fries, zie Kalma (1950) en Reuland (1990).
 
                3 Met dank aan Reinhard F. Hahn voor de Nederduitse data in (3).
 
                4 Anders dan in het Nederlands, is IPP in het Hoogduits niet zozeer een verplichting, alswel een trend. Er zijn sprekers voor wie (4a) gramma­ticaal is. In bepaalde dialecten is het IPP-effekt zelfs vrijwel afwezig. Vergelijk de volgende data uit een Oostenrijks dialect: (waarvoor mijn dank aan Roland Hin­terhölzl, persoonlij­ke communicatie)
 
                (i) weil ich niemanden schreien gehört hab
              (ii) *weil ich niemanden hab schreien hören
             (iii) *weil ich niemanden hab schreien gehört
 
Dit gegeven vormt mogelijk contra-evidentie voor de morfologische eis op het participiumprefix, die ik iets verderop aan­haal. Mogelijk is het Hoogduitse haben strikt links-directioneel in zijn featuretoekenning, terwijl het Nederlandse hebben zowel naar links als naar rechts een morfologisch feature kan toekennen. Als we aannemen dat er inversie plaats kan vinden vóór de V2-verplaatsing en dat het spoor van haben een feature toe kan kennen, dan kunnen we de variatie in Hoogduitse hoofdzinnen volkomen uit onderliggende volgordever­schijnselen verklaren. Daarvoor ontbreekt echter voldoende empirische steun.
 
                5 Voor eerdere beschrijvingen van het Interferentiefries, zie o.a. Breuker (1984), De Haan (1990), Hoekstra (1987) en Abra­ham (1994).
 
                6 Ik heb dit effekt aangetroffen bij sjoen (gezien) en bleaun (geble­ven). Zie verder Wolf (1995a).
 
                7 Ik gebruik hier andere voorbeeldzinnen en afkortingen dan De Haan (1995). Het principe is echter hetzelfde.
 
                8 Nominalisaties van suffixloze participia met het suffix -ens zijn doorgaans marginaal. I.t.t. participia op -t/-d kunnen suffixloze participia niet attributief als adjectief worden gebruikt, tenzij ze voorzien zijn van een prefix. De rol van prefixen en ook andere data geven reden om aan te nemen dat morfologische markering in het Fries niet altijd even sterk is (zie ook noot 9), in welk geval het correcter is om te stellen dat suffixloze participia aan het uiteinde van een markeringsschaal liggen. Voor de hier besproken constructies is een dergelijke verfijning echter niet relevant.
 
                9 Regelmatige participia op -e hebben, hoewel in mindere mate dan suffixloze participia, ook enige beperkingen t.o.v. participia op ‑d/‑t. De Haan & Hoekstra (1993) verklaren dat uit de minder duidelijke morfologische markering die deze vormen door hun suffix hebben.
 
 
Literatuur
 
Abraham, W. (1994), 'Kaynes Asymmetriehypothese und die Abfolge im V-Komplex', Groninger Arbeiten zur Germanistischen Linguistik nr. 37, p. 19-46.
Breuker, P. e.a. (1984), 'Oer it lienen fan bûne morfemen út it Hollânsk yn it Westerlau­werske Frysk', in: N.R. Århammer e.a. (red.), Miscellanea Frisica; In nije bondel Fryske stúdzjes, Assen: Van Gorcum.
Dikken, M. den (1989), 'Verb Projection Raising en de analyse van het IPP-effect', TABU 19-2, p. 59-75.
Haan, G. de (1990), 'Grammatical borrowing and language change: the Dutchification of Frisian', in: D. Gorter e.a. (eds.), Fourth International Conference on Minori­ty Languages; Vol 1: General Papers, Clevedon: Mul­tilingual Matters.
Haan, G. de (1995), 'Recent changes in the verbal complex of Frisian', te verschijnen in NOWELE 25, Festschrift N.R. Århammer.
Haan, R. de & J. Hoekstra (1993), 'Morfologyske tûkelteammen by de leksikale útwreiding fan it Frysk', It Beaken 55-1, p. 14-31.
Hoeksema, J. (1988), 'A constraint on governors in the West-Germanic verb cluster', in: M. Everaert et al (eds.), Morpho­logy and modularity, Publications in language sciences 29, Dordrecht: Foris.
Hoekstra, E. (1994), Analysing linear asymmetries in the verb of Dutch and Frisian and their dialects, Working papers in the syntax of West-Germanic dialects, Am­ster­dam: P.J. Meertens Instituut.
Hoekstra, J. (1987), Ik hoop dat se de spigel net sille brek­ke; In ûndersyk nei taalgebrûk by frysktalige mafû-learlingen, onderzoeksver­slag, Harlingen.
Kalma, D. (1950), 'Sizze, to sizzen, sizzen. (Mienefoarm, ferhâldingsfoarm, tiidwurdfo­arm), De Pom­peblêdden XXI, p. 83-89.
Reuland, E. (1990), 'Infinitieven in het Fries en de aard van functi­onele categorieën', Interdisciplinair tijdschrift voor taal- en tekstwetenschap 9-4, p. 287-309.
Wolf, H. (1995a), Feroarings yn de Fryske tiidwurdlike einrige; In ûndersyk nei in tal resinte syntaktyske fero­arings by Fryskta­lige jongerein, onderzoeksverslag Fryske Akademy, Leeuwarden.
Wolf, H. (1995b), 'Ynvertearre tiidwurdkloften yn it Ynter­ferinsjef­rysk', Tydskrift foar Fryske Taal­kunde 10-1, p. 1-11.
Wyngaerd, G. vanden (1994), 'IPP and the structure of participles', Groninger Arbeiten zur Germanisti­schen Linguistik nr. 37, p. 265-276.
Ytsma, J. (1995), Frisian as first and second language; Socio-lin­guistic and socio-psycho­logical aspects of the acquisition of Frisian among Frisian and Dutch prima­ry school children, diss. KUB, Leeuwarden: Fryske Akademy.
 
     

Kostenlose Homepage von Beepworld
 
Verantwortlich für den Inhalt dieser Seite ist ausschließlich der
Autor dieser Homepage, kontaktierbar über dieses Formular!